Het onderzoek van de werkingsmechanismen van allergeenspecifieke immunotherapie heeft aangetoond dat ze werkzaam is op alle niveaus van de allergische reactie.
ONTSTEKINGSEIGENSCHAPPEN
Allergeenspecifieke immunotherapie vermindert sterk de concentratie van ontstekingsmediatoren in de doelorganen (neus, ogen, bronchiën, huid). Zo is dankzij experimentele modellen die gebruik maakten van allergeenprovocatietests en de afname van secreties van de neus, bronchiën of ogen, aangetoond dat na desensibilisatie de histamine-, prostaglandine-, leukotriëne- en tryptaseconcentraties significant waren afgenomen.
De verminderde productie van ontstekingsmediatoren gaat gepaard met een verminderde migratie en activering van de onstekingscellen (zoals eosinofielen, basofielen en CD4-lymfocyten) in de doelorganen.
De ontstekingsremmende eigenschappen van allergeenspecifieke immunotherapie zijn verantwoordelijk voor de verbetering van de symptomen bij de patiënt.
IMMUNOMODULERENDE EIGENSCHAPPEN
Het is aangetoond dat bij blootstelling aan het allergeen, allergeenspecifieke immunotherapie de respons wijzigt van T-lymfocyten in het bloed en de doelorganen.
Deze wijziging uit zich in een significante vermindering van de synthese van pro-inflammatoire cytokinen (Il-4, IL-5, IL-6) door Th2-lymfocyten ten gunste van Th1-lymfocyten die regulerende cytokinen produceren (IFN-y en IL-2).

De remming van de Th2-respons induceert een remming op alle niveaus van de allergische respons1, 2
Het mondslijmvlies is een natuurlijke barrière. Op dit niveau wordt het immuunsysteem voortdurend blootgesteld aan zeer uiteenlopende antigenen. De orale tolerantie wordt progressief gehandhaafd om een immunotolerantie voor verschillende antigeenstimuli uit de omgeving (voornamelijk uit de voeding) te garanderen.
Immunotherapie past deze mechanismen toe om immunotolerantie te induceren.
Het mondslijmvlies leent zich dus voor immunotherapie, want het werkt immunolerantie2 in de hand.
De dentritische cellen van de eilandjes van Langerhans spelen een belangrijke rol bij sublinguale allergeenspecifieke immunotherapie omdat ze een shift van de Th2- naar Th1-immuunrespons mogelijk maken.
Tijdens de behandeling wordt het allergeen in het mondslijmvlies gevangen door cellen die dan rijpen en migreren naar proximale drainerende lymfklieren.
Dit bevordert de productie van IgG-blokkerende antilichamen en de inductie van T-cellen met een suppressieve functie en induceert de reticulatie van FCεRI (IgE-receptoren met hoge affiniteit).
De dendritische cellen in de mond spelen een cruciale rol bij het vangen van antigenen en de inductie van immunotolerantie1, 2.
1Douglass and O’Hehir. Med J Aust 2006; 185: 228-233
2Moingeon P, et al. Allergy 2006; 61:151-65
3Allam JP et al. Allergy 2006; 61:166-72